Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens

In Studio Orka’s meest recente creatie Chasse Patate komen spel, dramaturgie en scenografie samen in een bijna perfecte balans. Chasse Patate kan als richtsnoer dienen voor een verkennende tocht in het artistieke en dramaturgische, maar ook in het door en door humanistische universum van Studio Orka. 

 

Evelyne Coussens

Ik weet niet of horses virtuoze dans is, ik weet zelfs niet goed wat in danskringen geldt als ‘virtuoos’, ik ben geen danskenner. Ik lees dans in eerste instantie als een theaterkijker: op zoek naar drama, niet naar cadans, een beetje zoals ik bij een vioolconcerto spontaan de de melodie volg en niet het ritme. Dit om maar te zeggen dat de voorstellingen van kabinet k (choreografen Joke Laureyns en Kwint Manshoven) voor mij verhalend werken; dat ik er vooral geuren, kleuren en sferen bij ervaar, herinneringen ook. En niet, zoals bijvoorbeeld bij het werk van Anne Teresa De Keersmaeker, de beroezing van geritmeerde abstractie.

Another One, © Maxim Storms & Lobke Leirens
Evelyne Coussens

‘If you break my heart, I’ll break yours too.’ Twee personages, voor eeuwig opgesloten in tijdloosheid, in gezelschap van elkaars liefdevolle haat. Another one van Maxim Storms en Lobke Leirens is een voorstelling om van te huiveren.

Tekening: Gerard Herman
Evelyne Coussens

Als u mij vraagt naar mijn voorstel voor het NTGent van de toekomst, dan zeg ik: geen huis van spelers, geen huis van de kunsten, geen huis midden in de wereld, maar – en het klinkt wat pathetisch, ik weet het – een huis van noodzaak. Zo droom ik meteen ook de andere stadstheaters: als een plek waar enkel dingen gebeuren die op dit moment, in deze tijd, door al wie er binnen en buiten wandelt, noodzakelijk worden bevonden.

 

Dit artikel maakt deel uit van de reeks 'Quo vadis, NTGent', waarin negen uiteenlopende stemmen hun voorstel voor het Gentse stadstheater delen. 

Antithesis
Geert Opsomer en de redactie

De perceptie leeft dat jonge makers moeilijker dan vroeger doorstromen naar het grote podium. Minder transparant dan percepties zoals deze, zijn echter de vragen waarin dit debat wortelt. Ontbreekt het de jongste generatie makers aan ‘grote’ boodschappen? Wordt hen vanuit de opleidingen onvoldoende metier aangeleerd om een beeldtaal te ontwikkelen die gepast is voor een groot plateau? Gaat het niet zozeer om artistieke kwesties, maar om de logheid van de schouwburg als instituut waarin de kunstenaar die vandaag zijn praktijk ontwikkelt (met flexibiliteit als codewoord) zich niet meer thuis voelt? Of wordt de doorstroming aan banden gelegd door een ‘oververzadigd’ veld dat wegens financiële krapte geen risico’s meer durft nemen (lees: jonge makers kansen wil geven op de grote scène)?