Etcetera Magazine. Tijdschrift voor podiumkunsten.

Beckett Boulevard - De KOE

Beckett Boulevard

Beckett Boulevard - De KOE

Jan-Jasper Persijn

In de richting van het midden

 

Beckett Boulevard, De Koe

Kaaistudio's, 14 januari 2016

 

Beckett Boulevard opent met het afspelen van een radio-interview: een bekende stem (Jan Hautekiet) stelt Natali Broods de vraag waar deze voorstelling in het hoofd van de makers precies is begonnen. Ze antwoordt met een persoonlijk beeld, een verre reisherinnering aan hoe zij als negentienjarige over een stuk niemandsland tussen Frankrijk en Duitsland sprong. Daarmee is meteen ook een opening gemaakt: beginnen is voor De Koe altijd een kunstgreep, een weloverwogen en gewichtige act. Dit expliciete beginnen – rondom de vraag wat het betekent te beginnen – anticipeert de zo typerende stijl van dit gezelschap, waarbij achter elke beweging, elke uitgesproken regel tekst, een vraagteken lijkt te staan. Het denkwerk dat hun voorstellingen vormgeeft, schemert steeds door in het uiteindelijke resultaat. In Beckett Boulevard ontwikkelt de vraag zich langzaamaan tot een fundamentele twijfel.

In dat licht is het onmiddellijk duidelijk dat we niet veel betekenis zullen vinden in de chronologie van de scènebeelden. Die lopen immers voor het grootste deel los over in en door elkaar, als flarden die weinig evident bijeengehouden worden. Het meest centrale gedeelte volgt de grote lijn die het programma belooft: een actrice (Natali Broods) tafelt met haar ex-man (Willem De Wolf) om hem te vertellen dat ze de politiek in gaat. Het spel en voorkomen van de ober die hen bedient (Peter Van den Eede) maakt bij Broods iets van herkenning los. De interactie tussen de drie figuren, die zich tonen als personages én als acteurs, bouwt daarbij gestaag op naar een hoogtepunt: van miscommunicatie (de acteurs Broods en De Wolf herkennen de ober niet als Van den Eede) via een communicatief nulpunt (een banaal spreken, dat vormelijk irriteert en inhoudelijk ontwijkt) tot een onverwachte climax (overcompensatie voor de misverstanden door nadrukkelijk te benoemen wat verkeerd liep). De keuze van de makers om hun eigen namen te behouden in hun dubbelrollen als personages en acteurs, draagt bewust bij tot die verwarring. De vervagende gelaagdheid tussen echtheid en spel is echter zo complex dat ze er via die aanhoudende vertwijfeling in slagen elk meta-begrip daadwerkelijk kort te sluiten.

Vanuit daaruit is het misschien mogelijk in ruimere zin iets van betekenis af te weken van een structurele lezing van de tekst. Want ondanks de gefragmenteerde opbouw van het spel dat zich ontvouwt, voelt wat eronder zit aan betekenis juist heel gebald, als een elastiek die zich doorheen de tekst slingert en steeds strakker spant. Een manier om daar te geraken is via een metafoor die een van de eerste scènes zelf aanreikt. Broods, De Wolf en Van den Eede vertellen er over die keer dat ze de weg verloren in een ondergrondse parking aan de Beckett Boulevard, in het Canadese Québec. In dat ondergrondse kluwen van identieke gangen en deuren, liepen ze toen cumulatief verloren: onoplettend afgeweken, hopeloos verdwaald, in het donker gezet en dan toch terug boven gekomen. De structuur van de tekst lijkt eenzelfde patroon te volgen, met op elkaar gelijkende sluipwegen, overgangen en gebaren die voortdurend naar elkaar door verwijzen.

En dan de vraag die zich laat raden: waar gaat het eigenlijk over? Het spreekt voor de intenties van de makers dat ze deze alleen in de mond van een ander willen leggen – het is Tom Lenaerts die hende vraag stelt in een (fictief?) televisiegesprek dat geprojecteerd wordt op het toneel zelf. Ook het antwoord zal noodgedwongen komen in fragmenten. Voor Broods gaat het vooral over identiteit – vandaar Van den Eede die zijn eigen spiegelbeeld toespreekt, vandaar Broods die haar eigen beeltenis niet herkent, vandaar de vele schijnbaar identieke traphallen, gangen en deuren, vandaar het vervloeiende vlak van woorden, verhalen, van personages en acteurs, vandaar de halfslachtige verkleedpartij. Volgens de programmatekst is het dan weer een ‘Faustiaanse afdaling naar de plekken waar de macht zich bevindt’. Er volgt een suggestie rond waar die plekken kunnen worden gesitueerd: ‘ergens in het midden, zo lijkt het’. Het midden, ‘dat door iedereen hardnekkig wordt gezocht, maar dat inmiddels even hard met iedereen verdwijnt’, is daarmee in de logica van deze voorstelling een punt van het onmogelijke, de lege plek die structureert.

Complementair met deze overwegingen zou Beckett Boulevard zo kunnen gaan over het onzegbare midden in al haar dimensies: het is de lege plek van de macht, maar evenzeer de principiële onmogelijkheid te zeggen ‘waarover deze voorstelling gaat’, of de misvatting dat talige communicatie erin zou slagen iets van midden tussen mensen vast te zetten. Het is een structureel spel dat het onvermogen thematiseert taal ook van eenduidige betekenis te voorzien. En toch is die beperking van een taal van het midden ook altijd mogelijkheid. De enige denkbare identificatie – als acteur/actrice, politica, ober of ex-man – moet verlopen langs de eenzame randen en boorden van die talige dubbelheid: ook identiteit is een onmogelijk en dus fantasmatisch midden, ergens tussen angst, onwetendheid en ijdelheid. In die zin is de vorm van Beckett Boulevard in fundamentele zin de inhoud. Dat is wat deze voorstelling op grootse manier samenhoudt: een voortdurend asymptotische beweging naar het midden toe die op het onzegbare insisteert door het dan ook op gepaste afstand te houden.